VAN BASSEN hou toch stant; de Nimf die gy ziet slapen,
Is niet door't groot penceel, maar door natuur geschapen.
Laat Cimon tog bezien, wie hem de borst doet braân.
Men kan den lust, by wyl, door d'oogen ook verzaan;
Dies zyt een weinig stil; hier moet geen voetzool kraken.
Gy zult, zoo gy u rept, de Veldnimf wakker maken.
Zy brand ons nu zy slaapt; indien zy wakker wert,
Zoo maaktze ons heel tot asch; want 't oog ontsteekt het hert.
En Lud. Smids laat zig op d’lphigenia van Cyprus, door J. BAKKER gemaakt, dus hooren:
:Mars, tredend in een zaal, die men verkeeren zou
In eenen Heemel, door de geestigste penceelen,
Zag op een veldtapyt, een sluimerende vrouw.
Hy boog zig, en begon haar witte borst te streelen,
En schoof zyn gladden helm van 't voor hoofd, om die mond
Te kussen, daar Natuur voor opgetogen stond.
Vrouw Venus! sprak hy: (doch het was een Herderinne,
Dien[1]Cimon vind in 't Bosch) hier is den Oorlogsgod!
Waak op; gun hem de vrugt eens van uw wederminne;
Met week hy, schamende zig het gewaand genot!
Hy meende Venus lag hier voor zyn dartele oogen:
Maar was, door BAKKERS konst, en verf, en doek, bedrogen.
- ↑ Bokkatiusin 't 19 Cap. zyner vertellingen zeit: dat Cimon een plompaard, dog van grooten huize, door het gezicht van deze schoonheit, veranderde in een verstandig minnaar.