jeugt; in vollen luister aan den Hemel opgeklommen, de volkome jaren van begryp en oordeel; en hellende naar de westerkim, den avond van het menschelyke leven, die eindelyk in den donkeren nacht van de dood verdwynt. De konst heeft mee haar jeugt; dat is haar beginzel en opgang, die met de jaren aanwast, tot in hare volle hoogte, waar na zy weder, of door gebrek van kragten of oordeel, allengskens afneemt, min of meer na zy eenen korten of langen levens avond heeft. Dusdanige verschilligheid heeft men konnen bespeuren in het penceelwerk van
HERMAN ZACHTLEVEN. De stukken van zyn eersten tyd waren eenvoudig, zynde de natuur, zoo in schikking als koleur gevolgt, ik heb'er gezien die my wonder wel gevielen. Maar naderhant, zoo 't schynt, niet te vrede met de schikkinge der natuur; dat is de voorwerpen te schilderen zoo als ze hem in 't leven voorkwamen (wyl die zig allezins niet even behaaglyk voordoen) zoo heeft hy een eige schikking, of om wel te zeggen een byeenschikking, van verscheiden behaaglyke voorwerpen te gelyk in zyn werk gebragt; uitgezondert eenige gezigten die hy aan den Ryn vlak naar 't leven gevolgt heeft, die ook door kenbare teekenen de plaatzen aanduiden, en van zyn ander werk duidelyk te onderscheiden zyn. Dit zeg ik niet, om dat ik oordeel dat hy met zulks te doen tegen de konstregelen misdaan heeft, geheel niet; in tegendeel moet ik zyn groot vernuft en fraje vindingen in dit opzicht pryzen, dewyl hy al het schoone heeft weten uit te kiezen, en by een te schikken, zoodanig dat zyne penceelkonst (de mode mach hare rol daar mee onder spelen zoo alsze wil) altyts plaats zal ingeschikt worden in
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/396
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen