Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/428

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Dochter van Cefeus der [1]Mooren Koning, en Kassiope, om welker hoogmoed, zy dat droevig lot moest ondergaan.

De meesten hebben Andromeda, met betraande oogen ten Hemel geslagen, of als met de doodverf op de lippen naar het Zeemonster omziende en dus klagende verbeelt:

O Rots! o Rots! verhoor myn zugten; en ontsluit
Dees ketenen, of spuw die yz're krammen uit.
Ik zie 't gedrogt van verr' het ruime pekel scheuren.
Help! help! ag! ag! van wien zal my nog hulp gebeuren!

Maar onze Helt verbeelde haar, van de rots verlost, schaamrood voor zich neerziende, waar op Lud. Smids ziet, en Perseus dus sprekende invoert:

Andromeda! vergun dat ik uw zagte hand
Van dit hard yzer vry: het monster is verslagen,
En dobbert hier, met door gekorven ingewand.
Reyk toe. Gy zult in plaats van yzer paerlen dragen.

Schaam u voor Perseus niet. Hy slaat zyn oogen neer.
Om die niet, met den glans der naakte leedematen
Te kwetzen. Ween ook niet, o schoone, ween niet meer.
Dwing doch de droefheit, en de schaamt' u te verlaten.

  1. Andromeda was een Moorinne. Doch niemant van de oude of nieuwtydsche Konstschilders heeft myns wetens zig van de waarheid der Historie, in dat opzicht bedient; maar alle hebbenze Naso, welke zeit: ten waar een Zeekoeltje haar hairen verwaaid hadde, en Perseus de laauwe tranen over hare wangen had zien leken, hy zou gedacht hebbe dat het een marmer beeld waar geweest, &c. Veel licht om dat zy 't alle niet geweten hebben; of die vryheid aan zich genomen; aangezien een getaande huid zoo oogvleyende niet is, als een blank vel.