Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/433

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ge schryvers verkiezen waardige stof, anderen weer beuzelingen tot hun voorwerp: sommige versnyden hun pennen om Heldenlof te brommen, en hunne beroemde bedryven voor de vergetenheit op duurzaam perkament te printen: andere in tegendeel hebben zig afgeslooft op ik weet niet wat, zelf op den lof van den Ezel, en den Uil te beschryven. Beide bereiken zy hun oogwit, meer of min, na dat zy die stoffe volgens haren aart, en vereisten schryfstyl hebben weten voor te stellen.

Het een en ander, zoo wel het Heldhaftige, als het potsige, kan den lezer om de geestige vindingen vermaak geven, nochtans verdienen de eerste, naar mate van hun waardiger bespiegelingen, meerder roem.

'T lust ons Joan Passerats den schryver van het ware lof des Uils, van wegen zyn geschildert Uiltje te hoore: dat dus in vaerzen gebragt is.

Een Uiltje (wie zou 't zoo verzinnen?)
Zat geestig op zyn gat te spinnen
Als d'oude Besjes by den haart:
'K dacht by my zelf 'k wou wel een webben
Van dezen draad gesponnen hebben.
Zulk was my immers zoo veel waart,
Als 't geen van Herkules gesponnen,
Of van Sardanapaal, verwonnen
Door lichte vrouwen, was gewrocht.
Bekoorlyk Uiltje! geestig, aardig,
En by den Athenienzers waardig
Geschat, als Heiligdom gekocht,
Om hunne Tempelen te sieren,
En uit Godsdienstigheit te vieren;
'K verwonder my niet dat gy spint;
Maar lach steets als ik gae bedenken