levens ontrent geringe en gants slaafagtige bekommeringen verslyten, iets zouden uitrechten het welk de verwondering der volgende eeuwen kon verduuren. En dat een vrolyk gemoed (naar 't zeggen van Cassiodorus) altyd iets ongemeens uitwerkt, 't geen beide op onze klugtichen J. Steen kan toegepast werden, als die altyd vrolyk van geest, door zyn vernuft en penceel dingen heeft konnen uitdrukken, zoo in opzigt van de natuurlyke verbeelding, als wyze van schilderen, die verwonderinge verdienen. Van het eerste gezegde is elk die zyn konst kent bewust, en het laatste wort bevestigt door twee stukjes, waar van de Heer de Meester tot Middelburg in Zeelant bezitter is die zoo uitnement (naar het getuigen van den Konstschilder Nicolaas Verkolje) doorwrocht, en konstig uitgevoert zyn, als ooit Ger. Dou gedaan heeft, waar door hy een eeuwigen naam gemaakt heeft.
Beide zyn zy groote Meesters in de Konst geweest, en die elk in het byzonder hunne voorwerpen natuurlyk hebben weten te verbeelden. Maar ook is het te beklagen dat zulke groote Mannen in de Konst niet hebben toe geleit tot het verbeelden van waardiger voorwerpen, wat prys zou groot genoeg geweest zyn om de zelve te betalen?
De Historyschryvers die de gebeurde zaken aan de geheugenisse der volgende eeuwen schakelen, leveren ons menigte van grootmoedige bedryven, en gedachtenswaardige gevallen op, welke verdienen dat de grootste Konstenaars hun vleit, en konstpenceel daar op afslooven. By voorbeeld, verbeelt u eens Zenobia Koninginne van Asia, daar zy met haar twee Zonen, gevangen te Rome gevoert, den Zegewagen van Aurelianus