De ouden hebben daar doorgaans acht op genomen, en uit de werken geoordeelt, van wat aart den maker was. Parrhasius schilderde doorgaans niet als tafereelen van ontucht, (van welke stukken by Suetonius in 't leven van Tiberius gemeld word) waar uit hy besloten heeft, dat hy zyn gansche vuile wyze van leven daar door te kennen gaf. Dog ik wil dit tot geen vaste regel te boek stellen, zoo min als om dat Androcydes by zyn Scylla de visschen zoo wonder natuurlyk hebbende afgemaalt, hy daarom voor een grooten visvraat gehouden wierd, en de byzondere lust dien hy daar toe hadde, hem te pas gekomen was in 't schilderen van dezelve. 't Welk Plutarchus aanhaalt Sympos lib. 4 quaest. 1. Maar wel, dat onder alle voorwerpen, dat gene, waar op de genegenheit krachtigst werkt, volmaakter dan eenig ander verbeeld word. Plinius geeft ons daar een zoet voorbeeld tot bestempeling van 't geen wy zeggen aan de hand in zyn XXI Boek daar hy zeit: Pausanias verlieft zynde op Glycera heeft een schildery naar gelaten die Stephanoplocos, dat is, kransvlegteresse genaamt wierd, en om dat hy de zelve met een zonderlinge toegeneigtheit tot Glycera had gemaakt, zoo geviel dit elk, en wert onder alle zyne konstwerken het beste gekeurt, en hoog geroemt.
Dewyl het dan dus gelegen is, dat door de verschelige neigingen, deze op dit, gene op wat anders doelt, en dat het geen van ymant uit een natuurlyke geneigtheit verricht wort, 't best gedaan wort; zoo willen wy (als gezeit is) ons daar niet tegen zetten, willen alleen de schilderjeugt die het noch onverschillig is, tot wat voorwerpen zy zig wend, en nog niet door gewoonte aan geringe dingen verslaaft is, raden, zig tot waar-