dert, welke hy gevolgt heeft (schryft Michael Vosmerus, in zyn Boek, dat hy noemt Principes Hollandiæ.) naar de afteekeningen die hy gemaakt hadde, naar de oude muurschilderyen in 't Klooster van de Karmeliter Monniken, of de Lieve Vrouwe Broeders, gesticht in den jare 1249 binnen Haarlem, na dat de beschilderde paneelen, met de zelve Beeltenissen der Graven beschildert waren. Doch Kornelis van Alkemade (in zyn Voorbericht op de Hollandsche Rymkronyk van Melis Stoke) spreekt gemelden Schryver dies aangaande op pag. 8, tegen, en wil dat deze alleen voor egte namaakzels, gehouden moeten worden, welke de Kloosterlingen (wanneer de eerste en egte afbeeldzels met waterverw op den muur geschilderd, door afbryzelinge des muurs en onduurzaamheid der waterverwe verdonkert waren) op houte paneelen lieten schilderen, en die van de Magistraten van Haarlem, in 't laatst van de 15 Eeuw, uit de klaauwen der Beeldstormers gered, en geplaatst zyn op de voorzaal van hun Stadhuis, daar zy noch te zien zyn. Waarom gemelde Alkemade, de zelve ook heeft uitgekeurt, om 'er den laatsten druk van Melis Stokes Rymkronyk, mee op te sieren.
Ik laat deze tegenrede in hare volle waarde, maar moet omtrent de printverbeeldingen zeggen: dat, zoo de zelve in allen deelen naaukeurig gevolgt zyn, naar de oude afbeeldzels op de Klooster paneelen, ik my niet verbeelden kan de ware Beeltenissen der Hollandsche Graven te zien: Aangezien verscheide beelden noch gaan noch staan konnen, noch eenige maatschikkelykheid van deelen tot het geheel, daar in is waargenomen, 't geen my doet agterdenkende worden, dat de Teekenaar even zoo min achtgevingen, in 't navolgen der