Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/69

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

stroomdichter niet onsierlyk in den voorzang van zyn Zege der Schilderkonst dus te kennen:

O Konsten buigt voortaan uw hooft,
Als gy de Krygstrompet hoort steken:
Dat schel geluit vermoeit uw spreken.
De blakende Oorlogsvlam verdooft
Den luister, die u pleeg te sieren;
Mars eigent zelf dan uw laurieren.
Wat baat het, of gy geestig weidt,
En trots braveert met uwe waarde,
Wanneer een krygsstorm werpt ter aarde
Uw ingebeelde onsterflykheit?
Voor al ziet elk hoe d' eêlste verven
Der Schilderkonst om 't hooft besterven.

Dat dezelve noch al zoo arg gedrukt worden door inlandsche Kerkberoerten, en borgertwisten, waar door elk genoeg om die rampen, min om de Konst te denken heeft, is door de bevindinge ontdekt; inzonderheid in zulken tyd toen de Konst meer tot pronk der Kerken, als tot huisciersel gebruikt wierd. Nu leefde hy in dusdanig een tyd waarin de Kloosterlingen bedeest stonden te kyken, als beducht voor een algemeen verval van den Roomschen stoel door de predikinge van Johan Kalvyn, Martyn Luther en anderen meer, waar door de gemoederen van 't gemeen tegens elkander in bitterheid en twist aangroeyden.

In zulk een stand zomtyds arger, zomtyds beter voor de Konst, bleef het nog al eenige agtereenvolgende jaren. Want Willem Goeree teekent in zyn waereltlyke veranderingen aan, op het jaar 1566 uit van Mander, dat de Brugse Schilder, Mar-