Frankfoort, in 't jaar 1574. Zyn Vader was een Pottebakker, anderen zeggen een Kleermaker, die in hem van jongs af aan een groot vernuft, en drift tot de Schilderkonst bespeurende, hem besteedde te Frankfoort, by Philip Offenbach,[1] een goed teekenaar, en Schilder: dien hy naderhand veer in Konst heeft overtroffen. Hy was wars van alle gezelschap, doorgaans droefgeestig, en geneigt tot eenzaamheid. Tot zyne uitspanningen verkoos hy de afgelegenste plaatzen, waarom hy dikwerf in Kerken en oude vervalle Ruinen, by zig zelven gevonden werd, en van die geneigtheid niet was af te trekken tot gezelschappen van zyne Konstgenooten of anderen, zeggende:
<poem> Toen ik my wende met de menschen te verkeeren, Vond ik dat by hen niet, als kwaatdoen, was te leeren.
Door welk doen hy wel een tweede Democriet scheen te wezen, die (volgens het schryven van T. Stanley uit Lucianus en Agellius) in eenzame plaatsen, en in de Graven, die door hunne eenzaamheid en duisterheid tot overdenkingen best dienden, gelyk ook tot het oeffenen van de kracht zyner verbeelding, zig verbergde; om buiten het gewoel der menschen te wezen.
Hy heeft weinig stukken, maar kragtig, uitvoerig en met veel moeite bewerkt, in zyn leven geschildert. Doch heeft echter aan dat kleen getal genoeg doen blyken, dat hy een groot meester in de Konst was. Had hy in zyn leven voor zyn
- ↑ Van dezen Offenbach of Uffenbach, Leermeester van A. Elshaimer, is een groot Altaarstuk, te Frankfoort, in de Kerk van de Predikheeren, verbeeldende de Hemelvaart van Christus, te zien. Hy had zig in de Borgerlyke oproeren gemengt, en stierf in 't jaar 1640.