Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/98

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ners stellen, 't geen hy geestig afsloeg, met dit antwoord: Dat hy zulks al lang gedaan hadde, en het zelve aan 't oordeel van heel de waerelt had gestelt, en dat hy het op gelyke wyze ook konde doen.

Het verstand dat hy bezat, en de bedrevenheid in de wyze van de waerelt te behandelen, vond middel om zyn benyders tot zyn vrinden te maken. Hy volgde namelyk de les van Cleobulus: doe uwe vrienden wel, op dat zy nog meer uwe vrienden worden, en uwe vyanden, op dat gy hen tot vrienden maakt. Daar benevens was hy bescheiden, beleeft en minzaam, tegen ieder een; een hoedanigheid, die hem by grooten en kleenen bemind maakte, inzonderheid ook tegen Konstenaren, waar van wy een opmerkenswaardig staal zullen aanwyzen.

Zyn Moeder, als gezegt is, was gestorven, 't geen hem beweegde te trouwen, dat eerlang geschiedde met Catarina Brintes, met welke hy vier jaren in der minne leefde, tot dat zy stierf, 't geen hem zoo aan 't harte ging, dat hy om de droefheid wat te verzetten, goed vond een reis naar Holland te doen, om in alle de steden de Konstscholen, Konstgenootschappen, en Konstoeffenaars te bezoeken, waar aan de Beschryving van Gouda ook gedenkt, gylykze ook in 't byzonder verhaast, dat hy JAKOB R{asc BLOK}} aan zyn huis ging bezoeken, om zyn Konst te zien; waar van wy breeder in des zelfs levensbeschryving gemelt hebben. SANDRART, die hem in die tyd heeft leeren kennen, en zederd de vriendschap met hem onderhouden heeft, getuigt: Dat hy t'Uitrecht gekomen, 't eerst by {{sp|G. HONTHORST kwam, deszelfs Konstwerk zag, en ook met een, een stuk van hem, dat noch maar begonnen was, verbeeldende Diogenes, daar by met een Lantaren op helderen dag, te Athenen