Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/102

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
81
Schilders en Schilderessen.


Maar als hy eindelyk overweegden ’t verlies van zyn kostelyken tyd, door den aanloop van al ’t gezelschap, ging hy twee uuren boven Uitrecht, by het dorp de Haar, op het oud Adelyk Huys ter Mey woonen, om aldaar zyn konst met minder verlet te oeffenen, alwaar hy in ’t laatste van het derde jaar kwam te overlyden, in den ouderdom van 39 jaaren. Hy liet twee Zoonen na; waar van de oudste 16 jaar zynde, nog leeft en de Konst oeffent.
’t Geen tot luister van zyn naam moet gezecht worden, is dit, dat ’er voor hem geen bekent is geweest, die zoo de Konst in ’t algemeen verstaan heeft, als hy. En daarom is hy by alle Konstkenners hoog geschat geworden, om dat hy niet een deel van de Konst, als anderen, maar de selve in alle deelen volmaakt verstond. Het zy dan dat hy Beelden, Dieren, Landschap, Zee, Stilwater met Schepen, enz. maakte, elk was in zyn soort even natuurlyk en konstig, zoo dat hy alle Konstschilders te gelyk na de kroon dong, ja zelfs met van Aalst, vermaard in doode Vogels, en Emanuel de Wit, geroemt om zyn wetenschap in de Doorzichtkunde, om stryd geschildert heeft.
Het vast begryp dat hy van de verschillende voorwerpen had, en de lichte bevatting van de onderscheiden behandelingen, deed hem alles onderneemen, zelf het schilderen met duim en vingeren, daar in navolgende Kornelis Ketel, daar van Mander van melt, in zyn Boek op pag. 195. Hier toe nam hy ten voorwerp eenen Orions, opzichter van den Doms tooren, en bediende van het Capittel, die een beminnaar van de konst was, ook by wylen het penceel hanteerde. Dit pourtret geleek wel, en stont wat van de hand gezet, zoo

II. Deel.
le
F