Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/107

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
86
Schouburgh der

Wat staat ons nu te doen? dat wy u gaan er kennen,
In de Romeinsche bendt, met eenen nieuwen naam,
Die als op vleugels door de Waereld zal gaan renmen;
Dit ’s ’t algemeen besluit: Wy roepen al te saam.
Viva de Gulde Scepter.

Den 7 van Wintermaand 1653. Hy was een schoon en wel gemaakt Persoon, doch niet kloek.

Ik heb in het eerste Boekdeel op pag. 333 gemelt van den potzigen Adriaan Brouwer, dat hy twee maal begraven wierd. Maar van David Beck werd verhaalt dat hy tweemaal gestorven is, en wilje weten hoe? Hy, reyzende door Duitslant werd door een onvoorziene ziekte beloopen, die hem in dusdanig een langwylige flaaute bracht, dat ’er geen ander besluit van te maken was, dan dat hy waar overleden. Over zulks werd hy, gelyk gewoonlyk geschied, uitgetrokken, en uitgestrekt op zyn ledikant geleit. Wat gebeurt ’er? zyne twee knechts zitten in ’t zelve vertrek, en spoelen met een glas wyns de zwarigheid van hun hart. Onder ’t over en weer drinken zegt een van deze, licht wat kortswylig en wulps van aart, dat wy ’t onzen Heer ook eens prezenteerden, hy heeft het in zyn leven zoo wel gelust, en staat met een op en duwt hem den roomer met wyn aan den mont. Door den reuk van den wyn (naar allen schyn) wat tot zig zelven gekomen, opent hy zyn lippen en slurpt een weinig daar van in. De knecht dit ziende verzet zig daar niet over, maar zeit tegen zynen makker, kyk, onzen Heer lust ook wyn na zyn dood, en zet hem het glas andermaal aan den mont, waar uit hy

een