tyd hy yverig zoo met naar het leven te tekenen, als te schilderen heeft waar genomen.
Gelukkiger zyn zyne beknoptelyk beschilderde Taferelen, dan zyn groote stukken: want dezelve op behangzels, en in Konstkabinetten geplaatst, hun achting behouden. Ik heb ’er van gezien waar in zig een bosch met dicht geboomte liet zien, Konstig, natuurlyk en vermakelyk geschildert: hier een troep boomen in de blauwe lommer: daar een invallend zonnelicht, welk de groene meyen met gloeijende tintelingen schildert, ’t eene tegen ’t andere zich doet redden en ruimte maken. Het was vergeefs zoo ik daar meer van zeide, wyl de brave Dichter P. Verhoek het vermogen van zyn Penceelkonst, by gelegentheit van dat hy een zyner beschilderde Zalen beschryft, naar waarde door zyn dichtpen dus heeft afgemaalt:
Dus wint het kloek penceel meer velds, nu alle wanden
Der zaale, staan bemaald met konstige waranden,
En groene bosschen, van een morgenzon bestraalt,
Die glansryk uit de kim op wilde kruyden daalt,
Den dach schept, dat wie konst verstaat, staat opgetogen,
En waant Italien t’aanschouwen met zyn oogen.
Zoo zag Vorst Hannibal van d’ Alpes neergedaald,
Door d’aardige Natuur een gouden oegst gemaald,
En hitste ’t krygsvolk op, door’t zien der schoone landen,
Terwyl dat oogvermaak den lust deedt watertanden.
Men vind de schikkonst hier natuurelyk verstaan.
De voorgrond is met kruid en stammen ryk belaân
En uitgevoert, als’t eerst dat ’t oog komt aan te schouwen.
Men ziet de gronden voorts al meer en meer verflouwen