En deinzen, mylen veer, tot daar het bleeke azuur
Der bergen wort geverft, met glans van’t zonnevuur.
........
Hier strekt de rots zyn kruin ten Hemel, woest bedekt
Met heggen, ruigte, en braam, van klimop los omstrengelt.
Men let hoe aardig haar natuur door kleuren mengelt;
Hoe milt, zelfs aan den steen, zy haar sieraden geeft;
Terwyl een gansche stroom van boven neerwaarts streeft,
Het water ruist, en bruist, en stuift, gelyk een reegen.
De zilv’re beek bevocht de dalen, stroomd een zeegen
Van Vrugtbaarheit hun toe: het half verwelkte groen
Schept leven, groeit, en bloeit, in’t edelste saizoen.
De boomschors ruyg van mos verbeeld hier d’eyk, die rustig
Drie eeuwen stand houd, en vertoont zig groen en lustig,
Gelyk de Berkenboom gekent word aan zyn bast:
Hun kruinen, bruin en dicht, met bladeren vermast,
Beschaduwen den grond, en stuiten Phebus stralen.
De Harder kwinkeleert in deze groene dalen,
En speelt een Veldtlied, op den driesprong, daar ’t geluit
Een dubblen weerklank kaatst, en nabaaut zyne fluit,
Terwyl de Koeye, en Geit, en Schapen zig verzaden.
........
My dunkt ik stap alree door dartle wildernissen
Der weelge kruyden, en hoor ’t ruiss-hen van de blaân.
Al wat het oog vermaakt, lacht ons hier lieflyk aan;
Pynakkers konstpenceel braveert dus de tapyten,
Die lam, en styf, en hart, in kort haar kleuren slyten;
Gelyk de bittre nyd verbleekt op ’s mans bestaan.
Hier kan Heer [1] Backer, als ’t geboomte, ontbloot van blaân,
- ↑ Kornelis. Schepen. Raadt, en Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, te Amsterdam.