Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/141

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
116
Schouburgh der

smart voor de Konstgodes, daar dit vaars op zinspeelt:

De Konstgodes had straks haar treurkleed aangetogen:
En dekte met een floers haar nat bekreten oogen,
Als haar de droeve maar wierd door ’t gerucht gebracht
Dat ook de Dood de [1] Both gevelt had onverwagt.

Jan Both de Fenix der Lantschapschilders van zyn tyd, om rust te zonken, en de gedagtenis van het lant te ontvluchten, of t’ontvlieden, ’t geen zyn broeder Andries versmoort hielt, als de dood hem stil bekropen en den draad zyns levens had afgeknipt op ’t jaar 1650, trok naar zyn Vaderlant en geboortestadt, daar hy voor zyn konst wel betaalt wert, en veel te doen had. Maar hy leefde niet lang na dien tyd: want

Gelyk een Tortelduif ’t verlies,
Van haar gepaarden steeds betreurt:
Zoo treurde Jan ook om Andries
Zyn broeder, van hem afgescheurt,
Door ’t droevig sterflot, dat zig niet
Bekreunt het klagen, of verdriet.

Wat toeval oorzaak heeft gegeven tot het verongelukken van Andries zal ik straks melden.
Sandrart zeit: Dat hy van ’t gezelschap afgedwaalt, in den nacht verdronk. En de Schryver van ’t Boekje Abrege de la Vie despeintres, zeit: Henrik was de Lantschilder, en verdronk, of versmoorde, lequel étant à Venise & se retirant chez lui de nuit tomba dans un Canal, Fol. 429. Wie heeft ooit van Henrik Both gehoort? En by gevolge kan de Lezer zien wat staat ’er kan ge-

maakt
  1. Andries.