Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/142

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
117
Schilders en Schilderessen.

maakt worden op Schryvers die buitens lants wonende geen gelegentheit hebben om de zaken te onderzoeken: ’t geen ook een van de reden geweest is, waarom ik my niet heb willen inlaten tot het beschryven der Italiaanse en Franse Konstschilders, of buiten myn kreits (uitgezondert in eenige buiten weidinge) begeven, maar binnen de zelve ben gebleven, daar de gedachtenissen der overledenen nog niet geheel uitgewist zyn, en waarvan men uit het nageslagt berigt ontfangen kan. Daar men andersins gewoon is, van dingen die lang geleden, en veer af geschiedt zyn, elkander (als het spreekwoord zeit) Knollen voor Citroenen in de vuist te stoppen.
Gelyk wy, zoo wy Du Pilé in de voorgaande levensbeschryving gevolgt hadden, eenen groven misslag zouden begaan hebben, wanneer wy van geen zekerder berichten voorzien waren geweest: ’t welk ons zedert agterdenken gegeven heeft, en besluit doen nemen geen staat te maken op buitenlantse Schryvers; zoo is het ons egter in het begin van ons eerste Boekdeel gebeurt, daar nu niet anders op is te vinden, als het zelve te reklameren of te herroepen.

Wy hebben in ons eerste Deel pag. 137 van JOHAN TORRENTIUS, volgens de beschryving van Du Pilé gezeit: Dat hy door last van’t gerecht tot Amsterdam wierd in hegtenis gebragt, daar men Haarlem voorlezen moet. Gelyk ook Sandrart doet. En op pag. 138. Hy stierf onder ’t pynigen, dat Flor. le Comte schynt te bevestigen met te zeggen: dat hy door schrikkelyke pynen gestorven is, ’t geen my des te meer gerustheit gaf, dat die zaak naar waarheid geboekt was. Maar als my de beschryving der Stad Haarlem door

Theod.
H 3