Theod. Schrevelius in de hand kwam, en ik die doorbladerde ontdekte ik haast den beganen misslag. De meeste omstandigheden lopen op eenen weg uit, maar in twee der zelver heb ik door naarvolging misgetast, dat de Lezer haast ontdekken zal, als hy dit onderstaande leeft. Dit zyn des Schryvers eigen woorden:
Joh. Torrentius is onder de Konstschilders geen van de minste geweest, maar was in ’t schilderen van naakte Vroutjes, op allerhande geyle wyze, als openbare Hoeren gewoon zyn, de tweede Apelles. Hy kwam van Amsterdam tot Haarlem wonen in een huis van den ouden Coltermans, wist zig byzonder door zyn fluweele tong in de gunst der braafste Borgers in te dringen, was allemans vrient, maar inzonderheit wist hy de Vroutjes zoo wonderbaarlyk te vleyen en te believen, dat hy ’er vele aan zyn huis lokte, zelf in weerwil van hare Mannen. Hy hielt zig op straat gaande heel statelyk, altyt in zwart Fulp gekleed, en groette yder een met een minlyk en zedig wezen, zulks yder het oog op hem had: maar binnenshuis maakte hy dagelyks goedsier als een Epicurist met drinken, eeten, en andere wellusten, en geloofde aan Hemel noch Hel, met een woort, hy was onder schyn van een vroomaart een verleider van de jeugt, een bederf voor de Vrouwen; een bedrieger van ’t Volk, en een verkwister van zyn eigen en anderer luiden gelt.
Dit brak eindelyk uit, zoo dat vele Borgers, daar de vreeze Gods by huisvestte, zig daar aan ergerden, die godvergete wyze van leven verfoeiden, en uitkreten hem niet waardig te wezen dat hy een bewoonder hunner Stad was.
Dit ter ooren gekomen van de Magistraat dier