Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/144

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
116
Schilders en Schilderessen.

Stadt hebben zy amptshalven, op dat het gemeene best geen schade daar door leed, dit monster in de gevangenis doen brengen, en naa ernstig nazoek van zyn verfoeilyke wyze van schilderen, gedrag en redenvoeringen, hem daar op ondervraagt, en wanneer hy niets van ’t geen waar mede hy beticht werd, wilde bekennen, hem op de pynbank gebragt, doch hy stont de pyn styfkoppig door zonder eenige bekentenis, wanneer zy hem in ’t Tuchthuis banden voor 20 jaren. Dit was in ’t jaar 1630 op den 25 van Hooymaand.
Als hy daar een geruimen tyd gezeten had, is hy daar uit verlost door voorspraak van groote luiden, onder welke ook was de Ambassadeur van Engelant met welken hy overscheepten, en zich een tyd lang in Engelant onthielt, tot dat hy tot Amsterdam kwam woonen, daar hy ook gestorven is.

Zoo dan de Schilderjeugt naar goeden raad luisteren wil, zoo moet zy in stee van dusdanige walgelyke voorwerpen te verbeelden tot hare schande, veel liever tot roem door haren konstpenceel zedespiegels vertoonen.
Deze leerles is niet nieuw, maar een grage maag lust ook wel verwarmde spyze, inzonderheit als die door een versche saus verfrist wort.
’T is niet voegelyk dat men geheime schandelykheit, geile, walghelyke en vuile bedryven, die in den duister, of uit eigen schaamte achter de gordynen gepleegt worden, bloot vertoont.
De Schilderkonst, en Dichtkonst zyn gesusters, en beyde door de kuissche Parnasnimfen opgekweekt, welker eer door zulks te doen te kort gedaan wordt. Wat meenje is de rede dat het spel van Josef van velen van den Schouburg word afgeweert?

* A.
H 4