Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/145

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen
  • A. Pels zal het zeggen:

........... Zoo gy wilt weten, hoe men 't kwaad Van eene geilen gloed, verdartelt, en verwildert, Met wulpsche woorden, en verbeeld omhelzen schildert; Hoor Jempsars redenen tot Jozeph eens, en let Op haar' gebaarden, en den toestel by het bed. Die ritse tokkeling moog' Jozephs hette dooven; Maar 'k durf dat wonder van den kyker niet gelooven. En wat lager daar hy van andere spleen spreekt: 'T is wel te vreezen, dat zulk lieven, lonken, lachen, Zoo lodderlyk, en los malkand're om lusjes prachen, De jeugd in brand zet, en alzoo van 't Schouwtooneel Den dwaalweg regelregt doet inslaan naar 't bordeel. Met nog meerder reden hebben de Vaders van de eerste Christen Kerk de Schoutooneelen gedoemt; Dewyl geen Schouspel ooit vertoond wierd, of 't was in Gestelt ter eere van een dartele Godin; Of dronken God op hunn' verdoemlyke offerfeesten; Daar al die wilden, als onredelyke beesten, In volle vryigheid hunn' wellust pleegden met Gehuurde Vrouwen op het wullepsch feestbanket. Tot welk een einde (ô schrik) die ligtekoojen zaten In 't spel op 't voortooneel, om geil, en uitgelaten Hunn' waar te veilen, en te venten na het spel. 'T was dan ook billik dat de Magistraat van Haarlem dat ergerlyk voorwerp, daar wy even

  • Gebruik en Misbruik des Toneels, pag. 22. 23.