[1] A: Pels zal het zeggen:
........... Zoo gy wilt weten, hoe men ’t kwaad
Van eene geilen gloed, verdartelt, en verwildert,
Met wulpsche woorden, en verbeeld omhelzen schildert;
Hoor Jempsars redenen tot Jozef eens, en let
Op haar’ gebaarden, en den toestel by het bed.
Die ritze tokkeling moog’ Jozefs hette dooven;
Maar ’k durf dat wonder van den kyker niet gelooven.
En wat lager daar hy van andere spelen spreekt:
’T is wel te vreezen, dat zulk lieven, lonken, lachen,
Zoo lodderlyk, en los malkand’re om lusjes prachen,
De jeugd in brand zet, en alzoo van ’t Schouwtooneel
Den dwaalweg regelrecht doet inslaan naar ’t bordeel.
Met nog meerder reden hebben de Vaders van de eerste Kristen Kerk de Schoutooneelen gedoemt;
Dewyl geen Schouspel ooit vertoond wierd, of ’t was in
Gestelt ter eere van een dartele Godin;
Of dronken God op hunn’ verdoemlyke offerfeesten;
Daar al die wilden, als onredelyke beesten,
In volle vryigheid hunn’ wellust pleegden met
Gehuurde Vrouwen op het wullepsch feestbanket.
Tot welk een einde (ô schrik) die lichtekoojen zaten
In ’t spel op ’t voortooneel, om geil, en uitgelaten
Hunn’ waar te veilen, en te venten na het spel.
’T was dan ook billik dat de Magistraat van Haarlem dat ergerlyk voorwerp, daar wy even
- ↑ Gebruik en Misbruik des Toneels, pag. 22. 23.