altyd in ’t Rasphuis verbannen te worden, om dat ’er dingen in zyn die nutter waren verzwegen, of verduistert, dan ontdekt, en over zulks die nooit geweten, nooit ter proef zouden zyn gesteld geweest, tot bederf van de wulpse en losse jeugt.
Eindelyk mag de Schilderjeugt dusdanig ergerlyk wullustig leven als Joh. Torrentius geleit heeft, zig ten spiegel van afschrik voorstellen; want zulks zyn Sireenenzangen die het jeugdig hart vleien en streelen tot hun bederf: waarom ook de zedeschryver Seneka het oog op diergelyks hebbende zeit: Verdryf voornamelyk de wellusten, draag een doodelyken haat tegen de zelve; want zy zyn van dien aart, als die d’Egiptenaars Philetas, dat is, Kussers noemden, die omhelsden om te verworgen.
Theodoor Schrevelius gedenkt in zyn Boek van Haarlems oorspronk aan verscheiden Konstschilders en Schilderessen, welke in zyn tyd in bloey waren; Als Pieter Grebber, de Soon van Frans Pieterze Grebber, van wien van Mander melt in zyn boek op pag. 213, en Gerard Srong de Zoon van Korn. Engelze, aan wien van Mander gedenkt op pag. 107. B. beide deze Zonen hebben hunne Vader in de Konst overtroffen.
Pieter Grebber, die behalven zyn Vader ook Hend. Goltzius tot onderwyzer gehad heeft, is een braaf beeld, en pourtretschilder geweest. Tot Haarlem waren ’er in dien tyd nog verscheiden stukken van te zien, van welke wel ’t voornaamste was Jubalinus, tot lof van de Muzyk, gemaakt voor den Borgermeester Guldewagen, die een beminnaar van de zang-, en speelkonst was.
Onze Pieter Grebber had ook een Suster Maria Grebber genaamt, die met veel
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/147
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
122
Schouburgh der
roem