Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/151

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
126
Schouburgh der

ningmeester of Geheimschryver van de Hooge en Lage Swaluwe, was getrout met de Dochter van Paulus Bertius, Pensionaris of Loontrekkend Raadsheer van Enkhuizen, die ten vrouw had Freektgen Semeins, wier moeder van Katarina van Egmont, egte dogter van dat Stamhuis.
Pieter Simonze Potter, heeft by zyn Huisvrou geteelt een Zoon Pieter Potter genaamt, die tot Enkhuizen de schilderkonst oeffende. Deze kwam te trouwen tot Enkhuizen, en uit dat huwelyk ontsprooten twee zoonen, Pieter en Paulus, als mede een dochter Maria Potter.
Pieter Potter, vader van gemelde kinderen, veranderende van plaats, kwam tot Amsterdam wonen, daar hy zyn Borgerrecht kogt op den 14 van Wynmaand 1631, die daar ook gestorven is, in ’t jaar 1692.
Paulus Potter, daar onze pen op doelt, van natuur geneigt tot de Konst, en van zyn vader (schoon maar een gemeen schilder) daar in onderwezen, liet al vroeg sprenkelen van verborgen konstvuur, door zyn vernuftige penceeloeffening uitblinken. Hy trok van Amsterdam naar den Haag, en ging wonen op de Bierkaai, in ’t huis thans bewoont van den Procureur Staal. Waar nevens aan woonde Klaas Dirkze Balkenende, die gezegent was met tien kinderen, waar van op de oudste dochter zyn oog viel, zoo dat hy dezelve ten huwelyk verzocht. Doch dit ging ten eersten zoo vlot niet: want de oude man zeide: dat Paulus noch menschen schilderde, maar beesten, dat stond hem niet aan. Hy raadpleegde daar over met luiden van aanzien, en zyne vrinden, die hem alle daar in tegen vielen, verklaarde yder in ’t byzonder, zoo hy een van hunne dochters begeert

hadde,