Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/155

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
128
Schouburgh der

schouwing van twee konsttafereelen, beschildert door den uitmuntenden Adr. van den Velde, nevens meer andere, zoo van Wouwerman, Ostade, J. Steen, enz.
My komt klaar voor uit verscheide gevallen die my verhaalt zyn, dat onze Potter al vroeg zyn verborge benyders gehad heeft, die hem onder ’t masker van vriendschap hebben gedwarsboomt. Dunkt ymant vremd hoe dit heeft konnen geschieden; daar zyn Konst lof verdiende, en waard was duur betaald te worden? en daar zyn gedrag de deugd en vroomheid zelf verbeeldde? Ik antwoord om deze rede, voorspoed, roem, deugt en vroomheit, zyn de voorwerpen daar de Nyt haar tanden op wet. Schynt het geluk ymant om zyn verdiensten te willen begunstigen, straks is de Nyd daar in voor. Horatius heeft al in zyn tyd gezongen:

De voorspoed word steets van ter zeiden,
Met een benydend oog begluurt
.

En een ander Dichter.

d’Ondankbare Afgonst volgt den voorspoed óp de hielen,
Gelyk de schaduw ’t beeld, waarheen ’t zig keert en wend
.

En wat het deugtzaam en vroom leven aanbelangt, men geeve maar agt op de spreuk van C: Manlius: die zeit: De Nyd is blint; en daarom spreekt zy kwaat van de Deugt, en P: Rabus:

Dit Noodlot volgt, altyd de vromen agter aan.

Maar