de in ’s Gravenhagen mede aan een Teringziekte gestorven is. Zyn Beeltenis staat in de Plaat F 1.
Wat tuimelgeest heeft d’oogen der konstkenners zoo weten te betooveren datze de penceelkonst van P. Potter voorheen als gemeene konst aanzagen? of waren zy in dien tyd ziende, en wy nu blint, die zoo veel agting daar voor betoonen te hebben? Wat zegt gy Lezer?
’T schynt dat alle ondermaansse dingen de veranderingen onderhorig zyn. Het aartryk van hoe vast gekneden grond opgeleit, neemt af en aan. Landen die voortyts bevolkt waren zyn tot een Woesteny geworden, andere weer van een niet op gekomen, tot verwonderingen op gegroeit. Dus is ’t ook gelegen met de Konst, en wetenschap. Griekenland was oulinx de hoogeschool der geleertheit en konsten: Daar ontdekte zy zig, als den aangenamen dagenraat, wanneer zy blozende door de kimmen haar luisterryk wezen doet zien. Daar rees zy, op de vleugelen van ryke, en milde belooningen op, als de Son, tot het toppunt van de middaglyn. Van daar plaatste de kunstgodes de Schilderkunst eerst in Italien, naderhant (om geen nayver te verwekken) mee in andere Landen en Koninkryken, ook de Nederlanden: daar deselve den eenen tyd meer den anderen tyd min, altyt met luister heeft gebloeit; maar nooit schooner als in den tusschentyd, van ’t jaar 1560, tot 1660.
’T lust my een lyst van wakkere Mannen die gebloeit hebben binnen den Levenstyd van een dier Konstenaars op te maaken, en hier onder te stellen.