Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/161

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

zou 't hem vragen, om dat ik 't my schaam te zeggen. 'T schynt my toe dat het ten tyde van Petronius even als thans met de Konst gelegen was; want na dat hy te kennen heeft gegeven, dat de Schilderkonst heeft toegenomen, zoo lang de mildheid en de ryke belooning der grooten, de naarstigheid der eergierigen aankweekte om eenen onsterflyken naam te verkrygen, (wetende, dat indien zy die konden bereiken, het hun aan geen winst ontbreken zou;) alzoo heeft zy in tegendeel wederom begonnen af te nemen, zoo dra de geldliefde de overhand kreeg, en daar byna niemant was die de Konst de hand boven 't hoofd hield, zoo voert hy door een aardige wyze van schryven een verstandig man in, dien hy vraagt, naar de oorzaak van het verval. Deze zal 't beantwoorden. De geldgierigheid(zeit hy) heeft deze verandering ingebragt. De vrye konsten bloeiden eertyds, zoo lang de ware deugt in waarde gehouden wierd; dies zogten ook de menschen alderhande konsten om stryd aan den dag te brengen, niet willende dat iets 't welk den nakomelingen voordeelig wezen mogt, verholen bleef. En wat lager. Wy daar en tegen in Wyn en andere wellusten verzopen leggende, hebben 't hart niet om naar kennis van voltrokken Konsten te staan: en vermits het ons ligter valt de oudheid te berispen, dan na te volgen, gebeurt 'et dat wy de ydelheid maar alleen zoeken te leeren, en anderen in te planten. Laat u dan niet vreemt voorkomen dat wy de Schilderkonst kwyt geworden zyn; aangezien thans een klomp gouts in 't oog van alle de goden en menschen veel schooner schynt, dan 't gene Apelles en Phidias ooit gemaakt hebben. 'T is wat grof gesponnen. Andries Pels in zyn