geboren. Hy had zich gezet tot het schilderen van pourtretten, die hy zoo konstig en met een goede gelykenis, ja zoo zuiver en edel behandelde dat de zelve in andere landen voor penceelkonst van van Dyk wierden aangezien. Ook was ’er in dien tyd een NICOLAAS LOYER, als mede GUILIAM GABRON Antwerpenaar, beroemt in ’t schilderen van Goud, Zilver, Porcelyn, Bloemen en Fruit. Als ook een ARTUS WOLFFAERT van Antwerpen, die zoo wel Zeedestukken als Boerteryen schilderde. En wort hy geprezen om zyn fraaije schikking en kloek penceel. By hem is te stellen zyn Stadgenoot EGMONT, braaf pourtretschilder Leerling van A. v. Dyk. Ook komen in aanmerking de gezelschapschilders A. PARDANUS, VUURPYL, DUISTER, HEERSCHAP, enz.
Ik schey hier af, naardien dit wel naar een Brabantse Begraafnis Ceel zou gelyken, daar men de namen der levenden met hunne eertytelen uit opleest om den Overledenen te verzellen tot aan hunne Grafsteden. De overige (gelyk de Aanspreekers der Dooden t’Amsterdam gewoon zyn te zeggen) konnen malkander in goede orde volgen.
Na hen verschynt de brave konstschilder JOHANNES LINGELBAG geboren te Frankfoort aan de Mein, in ’t jaar 1625.
In wat tyd, of door welke gelegenheit hy met ’er woon in Hollant gekomen is, of wien hy tot zyn onderwyzer in de konst gehad heeft weet ik niet te zeggen: maar wel dat hy gespoort tot reislust, zig in den jare 1642 van Amsterdam naar Vrankryk begaf en naa verloop van twee jaren naar Roomen, daar hy zyn konst met yver en vlyt oeffende tot het jaar 1650, wanneer hy op den 8 van