Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/174

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
147
Schilders en Schilderessen.

d’een met dragen d’ander met slepen; hier een Groenwyf welker stal met allerhande fruit verzien is: daar een Gaarkeuken onder een overdekte tent, waar voor een Bedelaar met opgeschorte schouders staat te bedelen. Ginder een groep beelden die na ’t Prediken van een Monnik staan te luisteren: en weer in een anderen hoek daar ze met open mond zoo yverig staan te gapen naar ’t gezwets van een lapzalver, dat hun onderwyl de beurs gelicht word. Gelyk hy ook inzonderheit in de verbeeldingen zyner Zeehavens (boven aangeroert) den onderscheiden landaart der koophandelaars, by het laden en ontladen der Zeeschepen of Galeyen, in hunne kenbare drachten verbeeld, en onderscheid, en die vorder met een aangenaam watergezicht, blaauw verschiet, en dun bewolkte lucht bewerkt, het voorste werk kracht geeven en doen voorkomen.
Zyn Beeltenis gevolgt naar ’t geen hy zelf geschildert heeft staat in de Plaat G onder aan nevens het Afbeeltzel van Jan van Hoogstraten op de linker hand.

Zyn tytgenoot en byzonder goede vrint, JAN WORST, schilderde fraye Italiaansche Lantgezichten. Deze had te gelyk met hem te Rome geweest. Zyne schilderyen zietmen zelden, aangezien hy zyn meesten tyd doorbracht met teekenen op papier, welke teekeningen onder de konstlievenden in waarde gehouden worden.

Nu kome ik tot WILLEM van DRILLENBURG de eerste van myne drie Leermeesters in de Konst.
Deze geboren tot Uitrecht van een deftig geslacht, had in zyn jonkheid by Ab. Bloemaart geleert, maar naderhand zig tot het schilderen van

Lant-
K 2