Lantschapjes, geheel van de handeling zyns Meesters verschelende, begeven. De schikking of verkiezing zyner lantschappen sweemde naar die van de Both; maar zy waren zoo dartel van penceelzwier niet, noch ook zoo natuurlyk gekoleurt. Hy was (zo lang als ik hem gekent heb) byzonder vlytig, zittende zomwylen een gansche maand in huis, zonder eens schoenen aan zyn voeten te trekken; maar hy was ook van dien aart, wanneer hy tusschen beide eens uitbrak, dat hy ook wel een Jonasje konde maken van drie dagen en drie nachten. Hy kwam met ’er woon in ’t jaar 1668 of 69 te Dordrecht, zynde toen een man van 2 of 43 jaren. Myn zalige Vader kreeg kennis aan hem in het Troebeljaar van 1672, en bestelde my by hem om tekenen te leeren. Maar de menigvuldige veranderlyke gevallen, die dagelyks voorvielen, veroorzaakten veele beletzelen; want de jeugt doch geneigt is overal de neus by te hebben; en Drillenborg was ook belust om te weten wat ’er al in de Stadt omging en wat de Posten ’t elkens mee brachten. Des zond hy my dikwils uit om wat nieus te weten, want de Franse Haan stapte in dien tyd met wyde en rasse schreden naar Hollant toe, terwyl d’onlusten van binnen zoo sterk toenamen, dat niet als zware ongelukken te vreezen waren. Een voor al blyft my noch altyd levendig in ’t geheugen om zeker voorval, dat ik hier verhalen zal. D’oproeren groeiden van dag tot dag sterker aan. Telkens zag men een hoop volk, meest wyfs en jongens van de slechtste soort met groot gedruis met een Vaandel voor uit aantrekken. Het toeklappen van deuren en vensters der Huizen vermeerderde het gedruis, en my werd belast
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/175
Uiterlijk