in aller yl naar myn Ouders te spoeden. Aan huis komende vond ik de deur dicht gesloten, en ging daarom voor by. Ondertusschen was die verwoede hoop voor by die straat getrokken, dien ik achter aan volgde tot voor ’t Raadhuis, daar de Borgermeester afkomende om naar zyn huis te gaan, door sommige hoofden der muitenaren werd aangerand en omsingelt. En ’t had zyn werk aan om door schoone woorden den slag der byl, waar mede zeker Schuitevoerder hem dreigde, te ontgaan. Zoo onverstandig yverde het gemeen voor den Prins van Oranje. Nu komt het ’er op aan waar by ik deze zaak altyt gedachtig ben. ’T huis des Borgermeesters werd dien zelven dag geplondert, alles vernielt en in stuk gesmeten; de behangzels van de Kamers aan flarden gerukt, of gesneden, de stukken van ’t goud Leer gins en herwaart over de straat gesleept. Eenen, die met een arm vol voor by myner Ouderen deur liep, ontviel een stuk, dat ik gretig opraapte; bedenkende, als het dubbel toevoude, dat het voor een Portefoelie konde dienen om myne teekeningen in te bewaren. Maar niet zoo ras werd dat van myn Vader gezien, of ik wierd willig, of onwillig gedwongen, het weder ter plaatse te leggen daar ik het even te voren hadde opgeraapt. Maar hoe zeer ik voor myn goed oogwit pleite, ik kreeg tot antwoort dat hy niet wilde iets van dien schandelyken buit van my aangeroert, veel min in zyn huis gedragen hebben.
Om nu weder tot myn meester W. v. Drillenborg te komen, moet ik tot zyn lof zeggen, dat hy doorgaans neerstig was, en zelf des Winters s’avonds by de kaars kleene lantschapjes in
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/176
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
149
Schilders en Schilderessen.
’t
K 3