’t graauw, ook wel met bruin, rood, en wit, dat zig even als een roodaardteekening vertoonde, schilderde. Hy was heel korswylig in zyn ommegang, en verhaalde dikwils onder het onderwys d’eene of d’andere klucht van zyn jongen tyd; onder vele, hoe hy met andere leerlingen van Bloemaart den Backer, die by de deur woonde, een pots gespeelt had, hoe die dat had gaan overkrajen aan hun meester, en hoe zy hem andermaal betaalden op deze wyze. Gemelde Backer hield hoenderen, en om hun toeleg werkstellig te konnen maken, verzamelden zy de korsten van hunne voormiddagstukken, die zy aan kleene brokjes braken, twee aan twee aan een langen draad knoopten, en de hoenderen voor wierpen, die de zelve gretig (zommige een, andere meer) inslokten, waar naar zy tegens malkander over, slings en regts, met geschoorde pooten, en uitgerekte halzen zoodanig stonden tegens een te trekken, tot de draden aan stuk borstende zy hol over bol, onder malkander ombuitelden, na dat dit kluchtspel een geruimen tyd geduurt hadde. En dit wist hy met zoodanige geestige gebaarden te verhalen dat het niet doenlyk was zig van lachen te onthouden. Dat hy nu wel de voorname aanleyder tot dit tooneel geweest is, wil ik gelooven, om dat hy zulks scheen overgeërft te hebben van zyn Vader, die wel voor een anderen Hontschen Diogenes wist te spelen, en op een potzige wyze yder ’t zyne te zeggen. ’T moet den Lezer niet vervelen, dat ik eens buiten myn bestek trede, en een staal of drie verhaal.
Willem van Drillenborg, Vader van onzen schilder, was Domheer, een man van agting, en die daar en boven eenige Stads bedieningen
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/177
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
150
Schouburgh der
had-