Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/178

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
151
Schilders en Schilderessen.

hadde, maar zig bemoeide of vermengde in de geschillen tusschen de Gereformeerden en Remonstranten, die toen hoog liepen. Zommigen die zyn vrienden veinsden te wezen, rieden hem, dat hy best zoude doen, zig voor een tyd van kant te houden, en uit Uitrecht te vertrekken, tot dat het vuur van twist wat zouw geblust wezen, en zy dan om zyn overkomen zouden schryven. Maar dit verzuimden zy zoo lang, tot dat zy (onder een bedrieglyk voorgeven van niet te weten waar Drillenborg was, en of hy wel weder naar Utrecht zoude omzien) bezitters van die Vacante bedieningen geworden waren. Eindelyk weder te Uitrecht gekomen, ontdekte hy, die een man van geslepen brein was; aanstonts het bedrog, maar dit een gedane zaak zynde die niet te herroepen was, bedacht hy andere middelen tot vergeldinge en wraakneminge, die hy haast gereed aan de hand vond. Hy huurde een Kruiers-wagen en kroo met de zelve zoo scheef hy konde gins en weer over ’t plein voor ’t Stadshuis; en als yder het oog daar op hadde en hem vraagde wat zulks te beduiden had, kruide hy al voort, en zeide, de wagen gaat niet recht.
Op een anderen tyd, ’t Gerecht by een zynde op het Raathuis, ging hy daar na toe, en liet door den Kamerdienaar verzoeken aan de Heeren of hy eens binnen mocht staan, dat hy iets hadde te verzoeken, dat hem werd ingewilligt. In de Zaal gekomen werd hem gevraagt wat van zyn begeren was? waar op hy antwoorde dat hy gehoort had dat ’er een Geregtsdienders plaats open was, en verzocht dat men hem daar mede wilde verzien. De Heeren verwondert over zoo een verzoek, en op elkander ziende, verzogten aan

hem
K 4