hem dat hy wilde buiten staan, om daar overleg van te nemen, ’t geen hy deed. Na een weinig wagtens binnen geschelt, zeide de voorzitter tegens hem, dat de Heeren over dusdanig verzoek grootelyks verwondert waren, eerstelyk om dat hy een man was die niet benoodigt was; ten tweede dat het te groote oneer aan zyn geslacht en kinderen zoude wezen, en zy over zulks niet konden denken dat zulk verzoek hem ernst was. En als zommige Heeren die zyne vrienden waren hem wat ter zyden af alleen nemende hem vergden te weten wat reden hem tot zulks beweegde, antwoordde hy, geen andere reden daar toe te hebben dan deze, dat hy de groote Dieven kende, en die ’t eerst zoude gevangen nemen. Waar op hy een antwoord kreeg waar uit hy klaar begrypen konde, dat die den langsten degen hadden, het veerste konden reyken. Dus bemoeide hy zig naderhand niet, als met zomtyts de rol van een anderen Diogenes te spelen onder ’t gemeen. Dit eene staal nog, en daar mee zal ik eyndigen. ’T is bekent dat de jeugt; inzonderheid onder gegoede luiden, de oude Hollantsche eenvoudigheit in dien tyd begonde te veragten en de Afgodes de Mode naar te volgen. Dit liep hem al mee in ’t oog, gelyk ’er ook by na niets was of ’t moest onder de roede van zyne berispinge doorgaan. Nu had ik byna vergeten dat hy ondertusschen was Weduwenaar geworden. Wat gebeurt ’er? hy neemt een lantaren met ontsteken kaarsen, en gaat daar mede op den helderen dag door de Stadt, daar elk over verwondert, eindelyk vraagde wat hy zocht? dien hy tot antwoord gaf: Borgers Dochters. En als ’er gezegt wierd, dat ’er die genoeg waren; gaf hy tot antwoort, dat het altemaal Juffrouwen waren
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/179
Uiterlijk