Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/180

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
153
Schilders en Schilderessen.

geworden. Hier mede willen wy onzen klugtigen schilder met zyn Vader laten rusten.

JAKOB LAVECQ geboren te Dordrecht (maar in wat Jaar daar heb ik niet konnen agterkomen, wyl ’er niemant van zyn geslagt meer overig is) was Jongman en hieldt huis met twee meyden, wyl hy nog een halven broeder, die blint was, hadde op te passen. Zyne Ouders hadden hem een fraai kapitaal naargelaten, maar na ’t my toescheen (dewyl hy meer van gezelschap als van schilderen hield) was het met zyn reys in Vrankryk vry wat gesmolten. Hy had de Konst by Rembrant geleert, maar in zyne reyze die handeling laten varen en zedert zig geheel tot het schilderen van pourtretten, vry wel zwemende naar die van de Baan, begeven. Hy hadde noch een stuk schildery van zyn eersten tyd in zyn huis, daar de handeling van Rembrant zoo wel in was waargenomen, datmen het voor een stuk van Rembrant zouw hebben aangezien. Hy kwam (ik weet niet: by wat gelegenheit) aan myn Ouders huis in dien tyd als ik van Drillenburg af was, en by my zelven zonder onderwys teekende. Hy zag myn werk, en oordeelde dat ik in de Konst behoorde voort te varen, daar myn Vader straks zyn zegel aan hing, en verdrag maakte, om onder zyn opzigt in de Konst voort te gaan, gelyk geschiede. Maar het ongeluk wilde dat hy na verloop van ontrent negen maanden kwam te overlyden, en ik dus voor de tweedemaal buiten onderwys was. Ik werd bevoordeelt met een derde van zyne printkonst, maar de onkunde deed my een dwaze keur doen; want in stee van fraje Italiaanse of Franse printen tot myn deel te verkiezen, viel myn oog op printjes van Lucas van Leyden, en Albert Du-

rer,
K 5