zugt, en om dat hy niet dulden konde dat ymant hem voorby streefde in de loopbaan van de Konst om de Eerlaurieren. Over zulks was ’er geen deel van de Konst, zoo anderen hem daar in schenen voor uit te willen draven, of hy volgde hem straks op de hielen. Gebouwen, Lantschappen, onstuimige Zee, stille Wateren, Dieren, Bloemen, Fruit, en stil leven (dat hy zoo natuurlyk schilderde dat hy ’er velen door bedroog) en wat het ook wezen mocht, daar wist hy zig na te zetten en ’t zig eygen te maken. Ik heb daar van nog overblyfzelen aan zyn huis gezien: daar een Appel, Peer, of Limoen in een schotelrak: ginder een muil, of schoen op een uitgehakt plankje geschildert, en geplaatst in een hoek van de Kamer of onder een stoel, als mede zoute gedroogde schollen, die op een gepluimurt doek geschildert, en uitgesneden, hier of daar agter een deur aan een spyker ophingen, die zoo bedrieglyk geschildert waren, dat men zig licht daar in zou hebben vergist, en die voor eigentlyke gedroogde schollen aangezien. ’K moet den Lezer om myn gezegde te bevestigen verhalen hoe hy zig door dusdanig iets door zyn penceel te malen zich by den Keizer en ’t gansche Hof berucht maakte. Als hy op den 6 van Oegstmaand 1651 aan ’t Hof te Weenen stalen van zyn Konst deed zien, was de Keizer, de Keizerin, de Ongerse Koning, en Aardsbisschop daar tegenwoordig. Dit bestont in drie stukken. ’T eerste een Edelmans pourtret, het tweede een doornekrooning van Kristus; ’t geen zy alle ten hoogsten prezen; maar inzonderheit als het derde stuk (zynde een stil leven) vertoont werd, toonde zich de Keizer daar op verlieft te wezen, die het
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/184
Uiterlijk