Niet minder, dan met Degen en Pistoolen,
En teeg op reis, tot driemaal zat ik vast
En zag te rug, ik zei: wat wil ik doolen?
Is ’t Vaderland my dan niet lief geweest?
Waar kon men meer behaaglykheid betragten?
Hoe word myn ziel dus droevig? en myn geest
Zoo zeer ontstelt? hoe wankelen myn kragten?
De Nachtegaal gaf antwoort: Kom, ey kom,
En schep een lust in beemden en waeranden;
De vryheit is een waardig Koningdom,
Gae zoek haar nu in vergelege landen.
Myn Stadt, uit zucht, gaf ik de laatste groet:
Ik zwonk den toom, en noopte ’t ros met spooren;
Dat brieste en pruiste, en rende, snel te voet,
Langs dyk en dal, door weyde en veld met Kooren,
Tot Uitrecht toe, in ’t wyt vermaarde Sticht,
De Veluw op, in ongestaege vlaegen
In storm op storm, verzelt met blixemlicht,
Maar haest verzoet door Meytyds schoone daagen.
Dus reed ik enz.
De zucht om Italie, het Kabinet der aloude Beeldhouwery en Schilderkonst te zien, bleef hem egter by, en de gunst van Keizer Ferdinand den 3den, noch zyn gunstpenning, noch de schakels van d’agtdubbelde goude keten, waren niet kragtig genoeg, om hem van zyn voornemen op te houden, of zyn reys naar Rome te stuiten: daar hy (my dunkt, ik zie hem) met open mond, verwondert, in de pragtigste Paleyzen van Farneze, Lodowize, Montalto, Oldobrandyn, en meer andere, voor de weergalooze marmere statuen, en schilderyen van Rafael, Michael, Agnolo, Parmeziaan, Titiaan, Carats, Guido, Paulo Veronees, en Lanfranco, staat te kyken, en om al ’t schoon (die keur heeft,