Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/188

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
161
Schilders en Schilderessen.

heeft angst) niet weet welk hy voor het konstigst zal verkiezen.
Naar deze heeft hy ook een Reys naar Engelant gedaan, op welken togt de zinryke Dichter Heiman Dullaart, die nevens hem ook kunstig schilderde, deze regels schreef:

Aan den Wint.

Ai voer, gezwindelyk een’ konsthelt ryk van stralen,
Gewoon by d’edlen dag van Vorstengunst te malen,
Daar hem ’t verplicht Geluk met opene armen wacht:
Opdat hy, wiens penceel een onverganklyk leven
Aan zoo veel andren gaf, aan meerdren nogh moet geven,
Niet van de Doot uit wraak door schipbreuk word verkracht.

Hem was ook gedagtig zyn vrient Abraham van Groeningen, een fraai vernuft, die hem met een geestig Klinkdicht geluk op reis wenschte. Hy is met Eer en Voordeel, het doel der Konstenaren, weder in zyn Vaderlant gekomen, om de rest zyner dagen, wars van meerder gewoel, en met zyn lot te vrede, in de Konstoeffening en schryven door te brengen. Gelyk hy dan noch bezig was met zyne twee Boeken, de Zigtbare ’t welk gedrukt is, en [1] Onzigtbare Waerelt te voltoojen. Toen ik onder zyn opzicht bestelt was; zoude ik de eer gehad hebben, van nevens hem het plaatwerk tot het Boek van de Schilderkonst te etzen, ten zy een ander Discipel, die

II. Deel.
my
L
  1. ↑ Die als nog in rollen leit opgesloten, tot ik deze buitenbezigheit geeindigt heb, zullende dan de laatste hand daar aan leenen, om ze in ’t licht te brengen.