my dat voordeel betwiste oorzaak gaf dat het agterweeg bleef, na dat ik een print die op pag. 269 staat, ten proef gemaakt had.
Hy ging in myn tyd zelden iemant bezoeken buiten de Heeren Kornelis Pompe van Meerdervoort, Ridder, Opperschout der Stadt Dordrecht, en Wilhem van Blyenburg, Schepen, die ook dikwils by hem kwam, en om zyne wetenschappen van hem bemind was,) ook de Munters, maar dit was ex officio als men zeit, want hy [1] Provoost van de Hollandse Munt was.
Zyne Leerlessen, of Konstregelen steunden op vaste gronden, zyn onderrigtingen gingen altyt met voorbeelden verzelt, zyn onderwys met bedaartheit en ernst, en zyne uitdrukkingen waren verstaanbaar, en zoo zyn zeggen noch met den eersten niet wierd begrepen, nam hy gedult om het door gebaarden te beduiden. ’T is gebeurt dat een van zyn Discipelen de schets van zyn ordonantie (gelyk ieder alle week doen moest) aan hem vertoonde, maar weinig acht gegeven had op de rechte werkinge der beelden, die hy zoo maar had neergestelt. Straks was het zeggen, Lees den Text; en gevraagt, Wil dat nu het Beeld wezen dat zulks zeit? antwoordde zy dan Ja, zoo was gemeenlyk zyn zegge: Verbeeld u eens dat ik die andere Persoon ben, daar gy zulks tegen moet zeggen; zeg het tegens my. Als zy dan de reden volgens de
- ↑ Provoost.] Van deze zyn ’er twee die jaar om jaar verwisselende het meeste bestier der Muntzaken hebben: voor welke ook de verschillen tusschen Meesters en Meesters en knapen, of zoo ’er misslagen begaan worden, als voor Schepenen worden gebracht, welke ten overzitten van den Heer Wardein, en twee Gezwoornen daar over vonnissen.