ling van het agterwerk eenige byvoegselen tot sieraat verzonnen had, meenende daar door my wel degelyk te hebben uitgeslooft. Maar myn broek was zoo nieuw niet als ik my wel verbeelt had: want hy ten eersten (wyzende op het byvoegsel) vraagde, wat wil dat zeggen? Ik antwoordde, ik heb dat kwanzuis zoo gemaakt: waar op hy tot my zeide, Men moet geen kwanzuizen maken; maar van alles datmen maakt reden geven, waarom men het gemaakt heeft, of anders niet maken. Hy had ook voor gebruik, zoo wy iets deden ’t geen hem mishaagde, ’t zelve door omstandigheden, spreuken, of eenig verhaal te beduiden. ’T gebeurde (wyl ik in dien tyd mede op een Kerkkollegie of ’t Zamenkomst ging) dat ik het onderwerp, dat den naastkomenden Zondag stont verhandelt te worden, op een papiertje geschreven, door onvoorzichtigheit op het plankje van myn Ezel geleit had, in stee van het elders te bergen. Myn Meester kreeg het in de hand en las den inhoud welke aldus was: Of Adams zaak een gebeurlyke zaak was; dan of God die voorwist. Hy lei het weer neer; maar eer hy van my weg ging zeide hy: Toen ik jong was deed ik ook zoo, en dacht, het is tydverdryf; maar toen ik wyzer wierd, ondervond ik dat het tyd verkwist was.
Doorgaans was hy van een stille bezadigden geest; en viel ’er zomtyts onder zyne Discipelen iets voor, dat hem tegenstont, of rechtten zy eenige potsen aan, gelyk de jeucht doch somtyds gewoon is te doen, voer hy daar over niet tegen hen uit; maar wist het wrang van zyne berispinge met het zoet van zyn bedaarde inschikkelykheit te temperen. Een geval, Lezer laat u het
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/191
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
164
Schouburgh der
niet