niet verdrieten, moet ik hier by ten voorbeelt verhalen.
Ik was toenmaals onder zyne Discipelen de oudste Leerling, geplaatst boven zyn Schilderkamer, d’andere in een vertrek beneden over de middelplaats, daar wy, ik van boven, en zy van beneden, elkander dikwils toespraken, wanneer hy was uitgegaan. Zy vryden my ook by tyden wel eens om een tros muskadel druiven, daar ik hen aan konde helpen, wyl de Wyngaart tot boven het Zoldervenster was opgegroeit; het welk ik zoo voorzichtig niet konde doen, of het wierd door vallen van losse druiven en bladen ontdekt door de meit, en haren Meester aangebracht; die daar op by my kwam en zeide: dat hy wel konde bemerken dat wy genegen waren om by malkander te wezen, en dat ik met uit het venster hun toe te roepen, ongenoegen mocht geven aan de Buuren, als of men hun vryheit bespiedde, (zonder eens van de Druiven te melden) waarom hy geraden vond my by hen te laten zitten, gelyk geschiedde. Wat raad nu? de pas om aan druiven te geraken, waar van ons de Muskadelsmaak nog de tong kittelde, was hier door afgesneden, en de Wyngaard was te hoog van stam om ’er van den grond by te konnen reiken. Overzulks werd ’er met gemeen overleg goedgekeurt, een Pennemes boven aan den stok van een Raagbol te binden, om de trossen te bereikqn en af te snyden. De vond was goed, maar de stok te kort, des was men genoodzaakt een ledig biervat te gebruiken om daar op te staan, dat my by loting te beurt viel, en twee anderen aan wederzyde te staan, om in hunne schortekleeden de trossen, die afdropen, zonder kwetzen te vangen, mitsgaders
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/192
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
165
Schilders en Schilderessen.
de
L 3