Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/193

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
166
Schouburgh der

de bladeren; op dat ’er op de plaats niets zouw vallen, ’t geen ons werk verkraayde. Dit stuk ging op deze wyze aan; maar ik die door het geritsel der bladen zoo wel niet konde hooren als zy, welke beneden stonden, en gevolgelyk zig al hadden voort gepakt op het aankomen van Hoogstraten, eer ik het gewaar wierd, wert gezien van hem, noch in dat postuur staande, door de glazen van de Keuken, dat ik gewaar wierd, den stok daar liet, en my in allereil van de plaats weg maakte. Nu was die toeleg ontdekt, en elk van ons schrikte vast voor de roskam: doch het viel beter uit dan wy ons hadden voorgestelt. Na verloop van een half uur kwam Hoogstraten met dien zelven stok eerst by myn makkers, daar naar ook in myn vertrek, en ging met den stok zelven achter aan slepende driewerf om den Ezel daar ik voor zat, zonder te spreken; doch riep (na dat hy een wyl tyts achter my gestaan had) myne medemaats, vertoonde den stok, daar het Pennemes vooraan gebonden was, en zeide, Waar of dit werktuig toe gedient heeft? een Pennemes haakswyze voor aan een Raagstok gebonden? doch niemant van ons gaf antwoort, maar wy stonden met d’oogen naar d’aard gewend, even als de misdadigen in de Vierschaar. Eindelyk (naar dat hy den stok een reis of zes, daar het Pennemes gebonden was had gekeerd en bekeken) begon hy te zeggen, Zie, dit is al heel vernuftig verzonnen wie of de vinder daar van is? ’t zoude waarlyk goed zyn om de Druiven, als zy wat hoog hangen, te bereiken, en was hy niet lang genoeg, men kon licht een ledig vat nemen, om ’er op te staan. Maar weetje wat, (vervolgde hy) zulks te ondernemen is met kommer vermengt, want het Vat kon licht den

bo-