een vruchtbelovende loot van den Konststam wierd afgerukt; en te beklagen dat de jongeling daar wat goeds van te hopen stond, zoo ontydig (als hy zyn gebruik eerst recht van ’t leven, tot opbouw van de Konst, wist te maken) wierd neergevelt. ’T lust ons een geestig voorval te verhalen ’t geen hem uit dien hoofde gebeurde. Hy had, te Weenen zynde, aangevangen de verloochening van Petrus te schilderen. De vrypostige Dienstmaacht was afgemaakt. Tot een bedeesden Petrus ontbrak hem een bekwaam Model; waarom hy tot dien einde naar het Marktplein ging, daar hy verschot vond, en zeide tegens een die hy oordeelde dat hem daar toe zoude konnen dienen, dat hy hem zoude volgen. De goede man op hoop van een milde aalmoes volgde hem tot het huis; maar Jan van Hoogstraten (hoe gebrekkelyk hy noch in de Duitze Taal was) beduidde hem echter dat hy hem volgen moest: gelyk hy ook deed tot op zyn schilderkamer. Maar zoo haast en zag hy niet dien ongewonen toestel, hier een Doodshooft, en daar een hoofdeloozen leeman, of hy begon gans ontstelt te sidderen en te beven. En hoe minlyk hy bejegent wierd, en wat schoone beloften hem gedaan wierden, van wel geloont te zullen worden, als hy maar ging zitten om zich te laten uitschilderen, de bedelaar had daar geen ooren toe, maar keek met Arensoogen om, hoe hy best van daar zou konnen ontslippen, nam zyn slag waar, en sprong van de trappen, tot aan de deur, om te ontsnappen. Gevallig komt S. v. Hoogstraten in, die hem stuit, terwyl zyn Broeder Jan hem achter aan loopt. Deze niet wetende van dit voorval, onderzoekt de reden van zulken rumoer. De Bedelaar in d’uiterste benautheit, bad dat men
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/196
Uiterlijk