Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/196

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

169 een vrugtbelovende loot van den Konststam wierd asgerukt; en te beklagen dat de jongeling daar wat goeds van te hopen stond, zoo ontydig (als hy zyn gebruik eerst regt van 't leven, tot opbouw van de Konst, wist te maken) wierd neergeveld. 'T lust ons een geestig voorval te verhalen 't geen hem uit dien hoofde gebeurde. Hy had, te Weenen zynde, aangevangen de verloochening van Petrus te schilderen. De vrypostige Dienstmaagt was afgemaakt. Tot een bedeesden Petrus ontbrak hem een bekwaam Model; waarom hy tot dien einde naar het Marktplein ging, daar hy verschotvond, en zeide tegens een die hy oordeelde dat hem daar toe zoude konnen dienen, dat hy hem zonde volgen. De goede man op hoop van een milde aalmoes volgde hem tot het huis; maar Jan van Hoogstraten (hoe gebrekkelyk hy nog in de Duitsche Taal was) beduide hem echter dat hy hem volgen moest: gelyk hy ook deed tot op zyn schilderkamer. Maar zoo haast en zag hy niet dien ongewonen toestel, hier een Doodshoofd, en daar een hoofdeloozen leeman, of hy begon gants ontsteld te sidderen en te beven. En hoe minlyk hy bejegent wierd, en wat schoone beloften hem gedaan wierden, van wel geloont te zullen worden, als hy maar ging zitten om zig te laten uitschilderen, de bedelaar had daar geen ooren toe, maar keek met Arentsoogen om, hoe hy best van daar zou konnen ontslippen, nam zyn slag waar, en sprong van de trappen, tot aan de deur, om te ontsnappen. Gevallig komt S.v. Hoogstraten in, die hem stuit, terwyl zyn Broeder Jan hem agter aan loopt. Deze niet wetende van dit voorval, onderzoekt de reden van zulken rumoer. De Bedelaar in d'uiterste benaautheid, bad dat men