Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/197

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
170
Schouburgh der

hem zyn leven doch wilde verschoonen, en hem deur laten, dewyl hy niet misdaan had. Op dit misbaar schoten zommige menschen toe, die na zy de zaak gehoort hadden, den Bedelaar hielpen belezen, tot zich te laten afschilderen, en onderrichtten hem zoo wel, dat hy ’t eindelyk bewilligde, doch schoorvoetende, en traag, gelyk de veroordeelden de leer opklimmen, om Ridders gemaakt te worden van de Hennepe Koord.
Men kreeg den Bedelaar dan met veel stribbelinge tot zitten, in zulk een postuur als d’afschetzing op den doek dat vorderde: maar hy zat met zulk een vrees, en onsteltheit, als of hy St. Pieter zelf geweest was; en wat belofte men hem naderhant deed, om andermaal te zitten, hy wilde niet weer komen, daar hy waande den Duivel en de Dood gezien te hebben.
Men kan hun beider Beeltenissen zien in de Plaat G die van S. v. Hoogstraten boven, en die van zyn Broeder onder, nevens de beeltenis van Joh. Lingelbag, op de rechte hand.

In dezen tyd leefde een Konstschilder van Rotterdam OSSENBEK genaamt. Van zyne stukken zyn schaars eenige in Hollant te zien, aangezien hy zyn meesten levenstyd in Italien heeft doorgebracht. Hy schilderde op de wyze van Bamboots verscheide geslachten van Beesten, en Beeltjes, en schikte de bywerken of achterwerken zoo vremt met Grotten, vervalle Roomsche gebouwen, Watervallen en dergelyke zoodanig naar den Italiaanschen aart, dat men van hem zeide. Hy heeft Rome met zich mee gebracht. Ook meld S. v. Hoogstraten in een Brief geschreven uit Wenen den 9 van Oegstmaand 1651 van eenen Luix (maar

wat