naamste beeltenissen in hunne werken doen spreken, en ’t geen ’er voorts aan ontbrak, door byvoegzels opgeheldert.
Het naaste middel om hen in dit loffelyke spoor der Persoonverbeelding na te stappen is, dat men de perzoonen die men in een Historie verbeelden wil, in zulken gestalten, en met zulke bekledingen, en byvoegselen, als hun eigen is, en toebehoort, vertoont; aangezien het de bekleedingen zyn, die een Bedelaar van een Konink doen onderkennen. Des moet een Konstoeffenaar hier acht op geven, of hy maakt zich bespottelyk voor Konstkenners.
De onderwyzingen die altoos met berispingen (als de Monniken) verzelt gaan, leeren best, doch ik wil den gemakkelyksten weg inslaan en onderwyzen door voorbeelden.
Wil men den Aartsvader Abraham (om maar een gemeen voorbeelt voor te stellen) verbeelden, daar hy zyn dienstmaagt Hagar met haren Zoon uitleit, zoo dient voor af opgemerkt dat hy is geweest een Man van jaren, achtbaar van wezen en groot van vermogen, zoodanig, dat, wanneer de vremde Koningen de vyf steden in het dal Siddin gelegen, vyandelyk aangetast, de Opperbevelhebbers met den zwaarde gedood, en onder den roof ook zyn bloetvriend Lot mee gevoert hadden, hy, gesterkt met de inboorlingen van zyn huis, hen najoeg, sloeg, en Lot met den geroofden buit uit hun handen rukte.
Ook dat de Oosterlingen welke vermogende en hoofden der volken waren, altyd prachtig met dierbare gesteenten omhangen, en met kostbare zyde bekleed gingen.
Denk niet, Schilderjeugt, dat het noodelooze
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/201
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
172
Schouburgh der
klei-