kleinigheden zyn die ik u tot een last wil opdringen. Gy kontze met zulken naam doopen als gy wilt.
Het geeft aan uw Tafreel een ongemeen sieraad,
Als gy naau acht op all’ die kleinigheden slaat.
En gy zult by d’uitkomst bevinden dat zy wezentlyk behooren tot de Persoonverbeelding die voor al in een Historische verbeelding in acht moet genomen werden. Hoor wat Horatius door zyn vertaalder omtrent dit stuk aan de Dichters belast, ’t geen wy met weinig verandering op de Schilders toepasen.
Daar by is ’t noodig, dat een Schilder volge, ’t geen
Aan yder is bekent van Helden, in geschichten
Befaamt, en alles, dat hy daar wil by verdichten,
Wel overeenstemm’ met de reden van zyn’ held.
Wanneer ge op uw Paneel den Vorst Achilles stelt,
Verbeeld hem dapper, onverbidlyk, straf, verbolgen;
Hy weig’re wetten, recht, en redenen te volgen,
En laate, al ’t geen hem raakt, afstuiten op zyn kling.
Medéa toon’ zig wreed van aard, door geenig ding
Omzetlyk. Ino moet tot schreyen zyn genegen;
Orestes droef te moe..........
En wat verder,
Zoo let, dat uwe Konst elk voorstelle in dien schyn,
Gelyk de menschen in natuure, en jaaren zyn.
Denk ook niet by u zelve: niemant zal op zulke dingen zoo naau acht geven: nog laat het spreekwoort: Alle Konstminnaars zyn geen kenners,