Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/203

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
174
Schouburgh der

u bedriegen. Onder de Schryvers is deze spreuk ook in gebruik; maar ’t zyn van de slechtste soort die zig daar bedrieglyk mee vleien. Let wat voorgemelde Dichter daar af zeit, en past het op u zelf toe; op dat het u ten spoor zy tot aanprikkeling van uwen yver, in de loopbaan der Konst.

Maar alle Leezers, zegt ge moogelyk, zyn juist
Altyd geen kenners. Zal ik daarom voor de vuist
In ’t wild heen schryven? of van mynen leezer hoopen,
Dat hy licht over myn’ misslagen heen zal loopen,
En myne feilen, als niet hebbende om het lyf,
Zien door de ving’ren, wen ik maar gedichten schryf?
Heel fraay! Men zal my ligt van grof, en bot te dwalen
Vrykeuren; maar wat lof, wat eer zal ik behalen?

Denk zoo, en spreek zoo tot u zelf, tot dat uw begeerte tot veel te weten allengs aangegroeit, gy den smaak daar van weg krygt, en van zelf daar naar tracht. Dit tusschen ingevloeit, heeft den draad van onze aanmerkingen omtrent de verbeelding van den Aartsvader afgebroken, dien wy dus weer aanknoopen: Als men dan Abraham (dien wy reeds achtbaar van wezen, en bekleding hebben afgeschetst) in een slechte bekleeding blootsbeens en met overendstaande hairen, als de wanhoop in d’afschetzingen der Gemoetsdriften, door C. le Brun, en achter hem een hutje van oude planken als de Dykwerkers gewoon zyn tot hun verblyf op te slaan, verbeeld ziet, moet ik besluiten dat de maker zich dat deel der Konst, ’t geen zy Persoonverbeelding noemen, niet verstaan heeft; want schoon men aan andere byvoeg-

sels