Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/204

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
175
Schilders en Schilderessen.

sels ziet, wat die verbeelding beduiden wil; zoo is nochtans het voornaamste, te weten de eigentlyke verbeelding van den perzoon niet waargenomen, en het gene van zich zelve geen beduidzel heeft, namentlyk Hagar en Ismael, daar toe gebruikt; want schilder Hagar met haar kind, torschende alleen die magere uitrusting van brood en een fles water zonder eenig ander byvoegsel in een tafereel, wie zal haar anders als voor een landloopster aanzien?
Maar licht zal iemant zeggen: men zou evenwel (schoon Abraham niet bekleed was als vereist word) zien, dat het Abraham verbeeldde door het byvoegsel van Hagar en Ismael. Dat zy zoo: echter voldoet het aan den regel der Persoonverbeelding niet, die met het byvoegsel gepaart moet gaan; want zou het niet belachelyk wezen, dat men twee Vrouspersoonen met slechte, en ongeziene bekleeding afmaalde, en de zelve door het byvoegen van een Adder, en Kelk met vergif, wilde aangezien hebben voor Kleopatra en Sofonisba? Zoo dat in diergelyke voorwerpen de volkomen Persoonverbeelding met het byvoegsel moet t’zamen gaan.
De byvoegselen, zyn, of eigen, of gezochte: de eigen zyn deze waar van wy aangeroert hebben. De gezochte zyn zulke die alleen uit nood, wanneer ’er geen andere aan de hand zyn, gebruikt worden. Een Schilder zal ook voorwerpen ontmoeten, die enkel aan het byvoegsel kenbaar zyn; om datze buiten het zelve geen bepaling hebben als in opzicht van ’t geslacht. Als by voorbeelt, hy schildert een oud Mannebeeld bitterlyk weenende, en een Vrouwenbeeld dat hare zonden met neergeslagen oogen beschreit, niemant zal

im-