grootse bespiegelingen toegeleit, en zyn penceel tot het verbeelden van waardiger en prysselyker voorwerpen gezet heeft: maar ’t is vergeefs geklaagt, of gewenst; aangezien het zoo niet is, en geen veranderinge daar ontrent vallen kan, door dien hy al met zyne tydgenooten naar ’t duister graf verhuist, niet meer in wezen is. Twee bedenkelykheden zyn ’er, die men gist dat oorzaak geweest zullen hebben, waarom hy altyd op ’t verbeelden van kleinigheden heeft blyven hangen; als eerst dat hy zig zoo stip aan ’t volgen van ’t leven gewent had, dat hy niets buiten het zelve konde, of wilde doen, (achtervolgens het voorbeeld van Michael Angelo Caravaggio[1], daar de genen welke zig tot allerhande Historische verbeeldingen in laten, by wylen in veele dingen naar hun vast denkbeeld moeten t’zeil gaan; of dat zyn geest tot die hoogte niet heeft konnen doordringen, en dus (in opzicht van de verkiezingen zyner voorwerpen) zig in de laagte gehouden. De Filosoof Bion, tydgenoot van den Macedonier Koning Antigonus zeide niet onaardig: (hoewel in een ander opzicht) Gelyk de Vryers van Penelope, wanneer zy met haar geen spraak kosten houden, by de dienstmaagden bleven zitten; alzoo brengen ook de genen, wanneer zy de Filosofie niet konnen vatten, hunnen tyd over met beuzelen. Maar wie kan besluiten dat het met hem dus of anders geweest is? Dog dit is zeker: dat hy door zyne wyze van doen de Waereld ten wonder strekt, en van alle konstoeffenaars moet geprezen worden,
- ↑ Caravaggio. Waar mee hy word onderscheiden van Mich. Ang. de Bonarote. Dit heb ik ’er verzuimt by te schryven, wanneer ik hem in dit zelve opzicht ten voorbeeld bracht. In ’t eerste Boekdeel pag. 262.