Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/210

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
179
Schilders en Schilderessen.

dere Oudheden hun welgevallen daar in vinden.
Deze voorstelling en leiding heeft tot haaren grontsteun en voorbeelt het grootste licht der Konst Rafael Sanzio van Urbyn. Deze heeft in het groote konststuk in de Zegelkamer op ’t Vatikaan, verbeeldende de School van Athenen, de beeltenissen der voornaamste waereltwyzen kennelyk daar in te pas gebragt, als Aristoteles, Plato, Diogenes enz. En in zynen verbeelden Parnasheuvel, de Beeltenissen der beruchste Dichteren tot op zyn tyt toe, ’t welk zyn konstwerk geen geringen luister heeft bygezet.
Hoor wat van Mander ’t zyner roem daar van zeit, in zyn levensbeschryving op pag. 51. Alle de beeltenissen der oudtytze beruchte Dichters, uit marmere pronkbeelden en gedenkpenningen opgegadert, heeft hy in dit werk afgemaalt, en de levendigen daar in naar ’t leven afgeschildert; Virgilius, Ovidius, Ennius, Tibullus, Catullus, Propertius en Homeer, die blind met verheven hooft zyn vaarzen zingt, en aan zyne voeten een, die toeluisterende de zelve opschryft. Ook ziet men de geleerde Saffo, den sierlyken Dantes, den lustigen Petrarcha, en den verliefden Bocatius, Tibaldeus, en meer anderen, die by troepen op den zangberg onder de schaduwe der Laurieren neergezeten, of schryven, of zingen, of spelen enz. Ook word gezeit, dat hy de wezens der Zanggodinnen, elk in ’t byzonder, gevolgt heeft naar de marmere beeltenissen.
Rafael is d’eerste niet geweest van deze uitvinding: voorbeelden van Konstenaren in vroeger tyd hebben hem tot dit loflyk doen gespoort. Wilt gy ’er de proef af zien ten bewys van het gezegde, die sedert den ondergang van Troje, en

kar-
M 2