Karthagoos bloeityd af in geheugen bewaart is; zoo volg met my den Rymtrant van den grooten Vondel, daar hy in zyne vertaling van Virgyl op pag. 150, den inhoud der beschilderde wanden van Didoos tempel beschryft: en hoe Eneas (terwyl hy de Koningin daar wacht) zyn eigen beeltenis en die van andere Griekse Helden by hunne bedryven beschouwende, de zelve aan hunne wezens, schoon met bloed en stof bemorst, kent, en hier door des te meer met deernis over hun ongeval bewogen, eindelyk in tranen uitborst.
Want middlerwyl hy hier de Koningin verbeide,
In deze groote Kerk den rykdom overschat;
Verbaast staat om het heil der nieuwgeboude Stadt,
De Kunst des Kunstenaars waardeert met groot verlangen,
En zo veel arrebeits, hier aan te kost gehangen;
Verneemt hy het gevecht voor Troje, na als voor
Den Oorelogh, alree de wyde Weerelt, door
Gedondert. Hy verneemt hier Atreus Zoon naar ’t leven,
Vorst Priam, en Achil, op bei te zamen even
Gebeeten, en gestoort. Hy bleef met aandacht staen,
En weende, en sprak: Achaet, wat oort is niet belaên,
Wat Lant ter Weerelt waeght nu niet van onze elende!
Zie Priam daar. Hier wordt de dapperheit in ’t ende
Met eere en prys gekroont. Hier word ons leet beklaeght,
En niemant vint men, die geen’ rouw hier over draagt.
Laet vaeren alle uw vrees: deez’ kennis zal ten leste,
(Want elk ons onheyl weet,) noch dienen ons ten beste.
Zo spreekt hy, en verzaet zyn droefheid met de lucht
Van yd’le Schilderye, en loost ’er zucht op zuch,
Waar op de traanen langs zyn kaeken nedervallen: