Boven aan, op de linker zyde, vertoont zig de muntbeeltenis van Antiochus Epiphanes, den drukker der Machabeen.
Tegens over de zelve, die van Filippus van Macedonien met een Laurierkrans om ’t hoofd. Deze werd gemunt ter gedachtenis dat zyn Renkoets den loopprys behaalt had; waarom de zelve ook op het ruggestuk verbeelt staat, en zyn borstbeeld met Laurier gehult, pronkt, dewyl men de verwinnaars gewoon was dus te bekransen. Waar onder aan een snoer de muntbeeltenis van Alexander den Grooten hangt.
Tegens over de zelve hangt het penningbeeld Van Democriet, op den gront van de nis het marmere kopstuk van Heracliet boven het zelve, in het midden van de Nis het gemunte beelt
en meer anderen, zomwyl ook met schaduw aangevult; dog zoo dat het meer naar een printverbeelding, als Medaljeverbeelding gelykt; om dat men ’er zelf doorzichten op verbeelt ziet, tegens den aart der Medaljen, die by wyze van opkoming niet by inschieting hun bestempeling doen zien. Die Keizerlyke Muntstukken welke men in ’t Muntkabinet van den Heer Schynvoet ziet, hebben veel gelykenis naar die welk wy vertoonen: en de Fransen hebben ’t thans ook veel nader aan de rechte verbeelding gebragt als voorheen, maar niemant die de zelve verbeelt heeft (ik met voordacht ook niet) als zy moeten verbeelt worden: maar waar in de rechte verbeelding bestaat, en wat wyze van behandeling daar omtrent moet gebruikt werden blyft ongezeit, tot my de gelegentheid voorkomt van het bestier van een groot werk, wanneer ik klaar zal konnen betogen, dat niemant op het geene tot de rechte verbeeldinge der Medaljes behoort waargenomen te werden, ooit gedacht heeft.
Een Vogelaar (zeit Gratiaan) werpt geen meer zaad, dan noodig is om zynem Vogel te vangen.