hangen, of dat de zaken naar de gesteldheit des gemoets verschillige uitwerkingen veroorzaken.
Wel is waar dat zulk een wyze van bespiegelinge, meer een opgespannen vernuft vereischt dan andere verbeeldingen: maar dit isser ook met een van, dat de konstenaars met zulks te vertoonen ook meerder lof als anderen verdienen; om dat men van zulken (als Cebes de Thebaner in een ander opzicht zeide) zeggen kan: Zulke Zedemeesters leyden de Menschen, even als men de Ossen doet, met den muil by ’t water.
De dubbele penningbeeltenissen van M. Antonius en Kleopatra konnen een Konstschilder dienen, wanneer hy haar zittende onder een pragtig, met zyde en goud doorstikt scheepspaviljoen, geankert aan de kust van Cilicie, daar Antonius haar in den avondstont verwellekomt, wil verbeelden: of daar zy aan de tafel, die kostbare paarel (ten staal van brootdronken verkwisting) indrinkt ter eere van haren geliefden Antonius.
Menigte van Beeltenissen zouden wy uit medaljes en oude marmere gedenkstukken konnen vertoonen, indien dit onze toeleg was: maar wy hebben alleen het spoor aangewezen waar door elk Konstenaar ’t geen hem dienstig is (indien onze leydinge hem behaagt) kan opspeuren. En waarom de Beeltenis van M. Antonius hier, en Alexander Lysimachus en andere meer, gehult met Ramshoornen op hun geldmunt vertoont worden, daar van zullen wy reden geven in ons vertoog over de Feestviering van Bacchus.
Dit zy genoeg gezeit, en willen wy onze Redenvoering sluiten met den Heere D. v. Hoogstraten, die in zyn Berecht voor de Aanmerkingen
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/218
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
185
Schilders en Schilderessen.
over
M 5